Volgens Van Dale is een onomatopee een “door gevormd woord”. Deze stijlfiguren worden gebruikt om te beschrijven (boem, klik, pang) en kunnen een voorwerp of idee zelfs visueel in plaats van auditief uitdrukken, bijvoorbeeld “zig-zag” of “tik”.

Onomatopoeën worden regelmatig gebruikt om weer te geven. Elke taal heeft dan weer zijn eigen manier om die geluiden uit te drukken. Sommigen lijken sterk op elkaar in verschillende talen, zoals het geluid dat een eend maakt: “kwak” (Nederlands), “cuac” (Spaans) en “quack” (Engels), en het geluid dat een kat maakt: “miauw” (Nederlands), “miau” (Spaans) en “meow” (Engels). Er zijn echter andere die sterk verschillen. Nederlandstalige honden zeggen “waf”, terwijl Spaanssprekende honden “guau” zeggen en Engelse honden “woof”. Een haan in Ecuador kraait “kikiriki” en vogels zingen “pi-pi” of “pío-pío”, maar een Australische haan zegt “cock-a-doodle-doo” en vogels zeggen “tweet”, en in onze taalstreek is het dan weer “kukelekuu” en “piep”.

Andere geluiden waarvoor weleens een onomatopee wordt gebruikt zijn de “biep” of “piep” van een antwoordapparaat en de “tok-tok” aan de deur. Een interessant aspect hiervan (en erg complex bij het ) is dat een groot aantal van dit soort woorden in het Engels niet alleen gebruikt worden om een geluid weer te geven, maar tevens werkwoorden zijn die dat geluid voortbrengen.

Op deze pagina in Wikipedia vindt u een interessante vergelijking tussen voor dierengeluiden in verschillende talen.

Tagged met: